vanaf 1936

Geachte Heer. Mijn vader en oom Janssens Hector en Janssens Henri hebben nog gespeeld bij jullie ploeg. Zo rond de oorlogsjaren.
Later heeft mijn vader FC Sint-Jozef opgericht, die speelden toen op een weide van boer De Laere, aan het cafeetje “de wagenmakerij” langs de Dudzeelse steenweg. Hij was namelijk fietsenmaker op Sint-Jozef. Nu heb ik nog iets gevonen voor jullie (als het jullie interesseert). De lidkaart van mijn vader uit 194?. Alsook een foto uit 1939 waar hij opstaat tesamen met Henri.
Op de onderste rij helemaal rechts staat janssens Hector, en naast hem met kostuum aan zijn broer Henri. Links naast hem zit Hungenaert Marcel (boezemvriend van Hector), ze werkten ook bijeen op de scheepswerf. Verder weet ik geen namen meer. Er moet nog een cauwels opstaan, maar er waren er zoveel op Sint-Pieters.wie weet ik niet.(cfr.doelman Cauwels Georges later Voorzitter van het herop gestarte Brugse Leeuwkens in 1948 ) Nog veel genot en succes met jullie Leeuwkes. Ik ben ook nog komen kijken toen ik in het ziekenhuis St-Jan lag.
Tot later Janssens Robert.

Een lidkaart denkelijk uit 1948




Voorwoord


Door de leiding van K.F.C. Brugse Leeuwkens werd mij gevraagd de voorgeschiedenis van de club op papier te zetten. Om er geen adresboek van te maken heb ik zo weinig mogelijk gebruik gemaakt van namen, van lokalen, en lokaalhouders, evenmin als van Ere- en steunende leden van destijds al brachten ook zij op hun manier hun steentje bij.
Ik draag dit werk op aan de stille werkster van het eerste uur, de schouder waarop men kon uitwenen als het eens fout ging. Zij die mee juichte als het goed ging, de moeder van het toenmalige K.F.C.B.L. waarvoor ik nog steeds veel bewondering heb : Mevrouw Madeleine Cauwels-Duthoit


Herinneringen uit een lang verleden


Niet negen maanden, maar negen jaar had K.F.C.B.L. nodig om werkelijk en officieel geboren te worden. Het kiemen en wat aan die geboorte vooraf ging wil ik U trachten duidelijk te maken aan de hand van allerhande aangename en minder aangename herinneringen van en aan mensen die het meebeleefd hebben.
Let wel dit is geen chronologische opsomming van feiten en gebeurtenissen maar een greep uit enkele jaren wel en wee.

Wij schrijven 1936/37. In en rond Brugge waren tientallen groepjes jongeren die gebeten of gestoken waren door de voetbalmicrobe, doch niet konden beschikken over de nodige accommodaties om zich te doen gelden. Op de aandacht van ouderen dienden zij niet te rekenen want die waren te veel met zich zelf ingenomen toen der tijd. Van lieverlede vormden die jongeren voetbalploegjes die elkaar om de haverklap bekampen en met de eer der overwinning als inzet. Ze werden in de volksmond “straatploegen” genoemd omdat de meeste onder hen een wijk of een straat vertegenwoordigden. Aldus waren er de gelegenheidsploegjes als F.C. Carmerstraat, F.C. Belgameersch Brugge, F.C. Vulderstraat, Union Sint Gillis, E.C. Sint Anna, F.C. Sint Walburga, Noord Brugge, West Brugge, terwijl men het te Sint Andries had over F.C. De Galge, F.C. Tuinbos, F.C. Belga Sint Andries. Er waren er ook die onder de naam van hun school schuil gingen al betekende zulks niet dat de schoolleiding of de leraars van die school er weet van hadden. Ook Sint Pieters en dan meer bepaald Sint-Pieters-Tuinwijk was rijk aan zulke voetbalfanaten en die hadden als voordeel op de “stadsmussen” dat in het midden van hun Tuinwijk een pleintje was in as sintels waar je veel stof van had en lekker zwart van werd. Daar konden zij bij gelegenheid een balletje trappen op voorwaarde echter dat de wijkagent er geen weet van had of dat de groten hen niet kwamen verjagen om zelf te kunnen voetballen.

Zoals in elk clubje waren er ook hier enkele door duwers die er voor zorgden dat er op geregelde tijden een tegenstrever en een plaats werd gevonden om een voetbalduel uit te vechten. De meeste wedstrijden werden betwist in een of andere weide in de omgeving al dan niet met het medeweten en de goedkeuring van de boer of eigenaar. Het was dan ook logisch dat menig voetbalfestijn voortijdig in allerijl diende beëindigd.
De in trek zijnde zandterreinen waren het “Maleveld” (waar nu de Carrefour staat) en de paardenpleinen van Assebroek voor zover deze niet werden gebruikt voor oefeningen van de te Brugge gekazerneerde 4e Piotten of 13e Kanonniers. Kreeg men de gelegenheid te spelen tegen een echte schoolploeg of tegen een georganiseerde ploeg zoals de “Brandweer” de “Pottenbakkers” de “Gistfabriek” of een der brouwerijen “Aigle” “Du Lac”,”H.Maes” of “’t Hamerken” dan werd er gespeeld op een echt voetbalveld. Die echte voetbalvelden beperkten zich voor ons tot het terrein van de Gistfabriek aan de Dampoort, het terrein van de piste langs de Torhoutsesteenweg, een der terreinen van de Broeders Xaverianen te Sint Michiels en het terrein van de wezenschool van Sint Kruis gelegen langs de Damse Vaart.

Halverwege 1937 begonnen de stuwende krachten achter de Tuinwijkvoetballers te beseffen dat er iets diende gedaan te worden wilde men het clubje niet zien ten onder gaan en verdwijnen zoals reeds zovele voor hen. Men zou de ouderen moeten kunnen overhalen om een helpende hand uit te steken, een opdracht die niet direct de gemakkelijkste zou blijken. Wij moesten trachten een dialoog aan te gaan met wat voor ons “grote mensen” waren. Dit was in die tijd zeer zeldzaam want begrippen als inspraak en medezeggingschap van en voor jongeren had men nog nooit gehoord en waren die woorden mogelijks nog niet uitgevonden. Het algemeen begrip was dat de jongeren die men toen nog kinderen noemden, luisterden en slechts spraken als die hen iets gevraagd werd. Niettegenstaande dit, werd ijverig gezocht naar een mogelijkheid om op niet te opdringerige manier met de groten in contact te komen.
Het zou echter nog duren tot het voorjaar van 1938 vooraleer de tijd rijp werd geacht om met hen over onze problemen te praten.
Dat voorjaar was het dan zover een waagden wij het er op een bijeenkomst te beleggen met mensen waarvan enkele min of meer zo oud waren als onze eigen vader. Wij hadden alles goed, nauwkeurig en onopvallend voor bereid tot zelfs de plaats van bijeenkomst.
Aangezien het bij vader Réne en moeder Madeleine Cauwels-Duthoit de zoete inval was, werd huize Cauwels als plaats van bijeenkomst gekozen zodat de aanvang sfeer zeer ongedwongen was.
Voor ons kwam het er in de eerste plaats op aan om de ouderen te doen begrijpen dat wij er genoeg van hadden om één van die ongeordende straatploegen te zijn, meer dat wij dat niet zouden kunnen veranderen zonder hun steun. Wij moesten hen aan ’t verstand brengen dat wij op hen rekenden voor hulp en leiding zonder door hen gedomineerd te worden. De “club” was van en voor ons jongeren en dat moest zo blijven en daar hadden zij in het begin wel even moeilijk mee, doch naarmate de gesprekken vorderden en de koffie naar binnen werd gegoten kregen wij toch onze wens. Wij hoopten door het vormen van een bestuur waarin grote mensen zaten meer aanzien te verwerven naar buiten uit.
Na uren over- en weer gepraat, met het aanhoren en weerleggen van al dan niet zinnige en/of ter zake doende voorstellen, commentaar werd uiteindelijk toch een overeenkomst bereikt, waar wij vooral mee opgetogen waren. Het bereikte resultaat was even onverhoopt als onverwacht en overtrof onze stoutste verwachting ook al beseften we dat er nog heel wat werk aan de winkel was. Wij hadden nu een bestuur en dat was het gene waarvoor wij dit ganse gebeuren op touw hadden gezet.
Dat eerste bestuur was als volgt samengesteld:
Voorzitter: Dhr René Cauwels, Ondervoorzitter: Dhr Alfons Alloo, Penningmeester: Dhr Bernard Keyaerts, de secretaris en de afgevaardigden van de spelers waren jongeren, Namelijk Henri Janssens en Georges Cauwels. Dit bestuur, zo werd beslist zou binnen de kortst mogelijk tijd met enkele leden aangevuld worden die men zou benoemen als commissarissen.
Maar het mooiste resultaat van die bijeenkomst was ongetwijfeld dat men zich niet vergenoegd had met het samenstellen van een bestuur, maar dat dit bestuur ook onmiddellijk tot de actie overging en een paar beslissingen nam die tot op de dag van vandaag nog steeds geldig zijn. Zo werd beslist na deze bijeenkomst, die te 19 uur van start ging om te duren tot ongeveer 23 uur, dat de clubkleuren “Geel-Zwart” zouden zijn en dat zou worden opgetreden worden onder de naam “F.C. BRUGSCHE LEEUWKENS” Ik weet niet of U zich kunt voorstellen wat dit voor ons betekende maar ons klonk het als muziek in de oren.
Het was erg moeilijk geweest voor ons zestien- en zeventien jarigen om de ouderen te overtuigen van datgene wat wij verlangden maar het was ons gelukt en in plaats van fier waren wij gelukkig, gedaan met de straatploeg van Sint-Pieters-Tuinwijk en lang leve de F.C. BRUGSCHE LEEUWKENS !!!!!!!!

Denk nu niet dat alles terstond rozengeur en maneschijn was en dat wij direct allemaal op dezelfde golflengte zaten, neen, niets was minder waar. De spelers hadden wel oor voor het behaalde resultaat doch, lieten zij verstaan dat zij, hoe dan ook, wilden betrokken worden bij het ganse gebeuren. Zij eisten van ons de verzekering dat de bedoeling van dit bestuur niet was de club over te nemen en naar hun hand te zetten, maar wel degelijk hen te helpen.
Ik zou de waarheid geweld aan doen door te beweren dat alles nu op rolletjes liep. Neen, ook wij hadden af te rekenen met de legendarische “kinderziekten” van een pas opgerichte vereniging al was het dan ook een vereniging zonder officieel karakter.
De eerst goede resultaten werden weldra merkbaar want wij kregen meer en meer leden en er kwam een soort van regelmaat in het betwisten van wedstrijden. Negatief was de financiële kant van de zaak en gezien alles¨daarmee staat of valt diende daarvoor snel een oplossing gevonden. Het bleek weldra dat bijpassen door het bestuur, dat ondertussen met een paar leden waren aangevuld, niet houdbaar was en niet kon volstaan om alle onkosten te dekken.
Na ruggespraak met de spelers werd door het bestuur beslist dat ieder lid 1 Frank per maand “bijdrage” zou betalen en dat de bestuursleden 2 Frank zouden betalen. Op die manier hoopten wij naast het dekken van de onkosten ook nog geld bijeen te garen om voetbaltruien en broekjes aan te schaffen. Dit plan was natuurlijk rapper opgemaakt dan uitgevoerd doch wij hadden een doel voor ogen en dat zou kost wat kost bereikt moeten worden, daar stonden wij borg voor.
Terloops weze gezegd dat de sociale toestand toen zowel in binnen- als buitenland beroerd was en er een sfeer van angst en onzekerheid voor de toekomst heerste onder de bevolking. Er werd gevreesd voor een oorlog en het weder oproepen van militairen die al een paar jaar waren afgezwaaid was niet van aard om mensen gerust te stellen. Het was alsof deze, zowel nationale als internationale, onzekere toestand de werklust (voor de club) van sommige clubleiders een beetje getemperd had. De spelers en de jonge supporters echter schenen te begrijpen dat zich nog actiever moesten opstellen om te overleven met F.C.B.L. Men zag ze dan ook omzeggens wekelijks in grote getallen naar één of ander terrein opstappen of rijden om hun “Leeuwkens” aan te moedigen.
Ons vervoer was de alom gekende nationale fiets wat ook de af te leggen afstand mocht zijn. Het was dan ook niet uitzonderlijk een sliert van zowat 20 à 30 fietser te zien voorbijkomen met een geel-zwart vlaggetje getooid, waarvan bijna de helft nog een passagier voor- of achter de fiets meevoerden. Deze verplaatsingen maakten eigenlijk deel uit van het wekelijks ritueel en niemand scheen dit hinderlijk te vinden of zich er aan te storen. Er was steeds wel iets te beleven waardoor elke “trip” zijn eigen korte geschiedenis schreef. Naast het soms rot slechte weer konden wij af en toe genieten van leeggelopen banden en/of vastgelopen kettingen zonder de wekelijkse legendarische valpartijen door het in elkaar haken te vergeten, die natuurlijk steevast andermans schuld was.
Een voorval wil ik U niet onthouden omdat het typerend is voor de geest van eenvoud en kameraadschap die er toen heerste. Daarom is het mij ook steeds bijgebleven.
Het was een zomerse zondagnamiddag en wij waren langsheen het kanaal Brugge-Damme-Sluis gefietst tot Oostkerke waar we het die namiddag zouden opnemen tegen een elftal met de naam “OOST-DAM” wat kennelijk erop duidde dat er spelers uit beide gemeenten bij waren. Te Oostkerke aangekomen stelden wij na heel wat rondvragen vast dat er diende gewacht op de organisator van deze wedstrijd en dat bleek de plaatselijk nog jonge koster te zijn die in deze functie het orgel aan het bespelen was in het aan gang zijn de “Lof”.
In het voorbije jaar hadden wij, door bijdragen, steun- en bedelacties, het zover gebracht dat één elftal beschikte over de nodige geel/zwarte truien en zwarte broekjes. Ook de moeders en zusters van onze spelers hadden niet stil gezeten en dank zij hen hadden wij een 15 tal paar kousen in geel/zwarte wol door hen gebreid ter onzer beschikking. Voor het overige zorgde een zeer bedrijvige Moeder Madeleine Cauwels ervoor dat wij elke week netjes voor de dag kwamen. Zij gelaste er zich ermee telkens de truitjes en broekjes te wassen en te strijken, en dat was nog handwerk.
Waar wij jongeren niet een dergelijk oog voor hadden was het internationale gebeuren dat van langsom meer onrustig werd. Er waren al landen in Europa in oorlog en bij ons waren er uit voorzorg de mobilisaties. Daar wij nog te jong waren om opgeroepen te worden en aangezien politiek toen nog iets was van en voor grote mensen, was er bij ons niet veel interesse voor dat onderwerp. Wat ons wel opviel en enigszins verontrustte was het toenemen van de werkloosheid en de daarmede gepaard gaande armoede. Dit deed zich bij onze club voelen door het feit dat niettegenstaande wij een enorme ledenaangroei kenden wij er financieel niet beter op werden. Het ledental steeg zo dat wij dit seizoen met twee ploegen speelden, een luxe die weinig clubs zich konden veroorloven. Met ons eerste elftal namen wij deel aan een zestal bekertornooien waarvan wij er twee wonnen namelijk het 1ste tornooi van F.C. Gold Star (Kristus Koning) en dit van F.C. Belga Brugge (Meers). Een derde plaats was voor ons op het tornooi van F.C. Gold Star. Ook eindigden wij nog tweemaal tweede en wel in het tornooi van F.C. Belga (St Andries) en in ons eigen Sinksentornooi na F.C. Gold Star.
1940 kondigde zich niet beter aan dan het voorgaande want de internationale spanningen bleven voortduren en er werd meer en meer over oorlog gesproken. Ook bij de Leeuwkens zag men met lede ogen dat een drietal van zijn pionnen opgeroepen werden om hun militaire dienstplicht te vervullen. Etienne Deblaere, Etienne Mahieu en Henri Janssens trokken op naar Vilvoorde en het zou drie weken duren eer ze voor het eerst met weekendverlof mochten komen. Op 4 en 5 mei was dat verlof en het werd benut om een wedstrijd te spelen tegen Olympia Brugge op het terrein van “De Piste” van Sint Andries waar we met 3-2 verloren. Dit was meteen de laatste wedstrijd voor de oorlog want op 10 mei vielen de Duitse troepen ons land binnen en zaten wij volop in het oorlogsgeweld. De eigenlijke veldtocht duurde slechts 18 dagen, doch dat was genoeg om in menige familie onheil te brengen.
Naast enkele gedode en gekwetste supporters hadden wij ook één dode onder de oudere spelers te betreuren namelijk Marcel Degraeve. Er waren ook nog de zogenaamde vermisten, de weggevoerden en de krijgsgevangenen, die vele families op de rand van hoop en twijfel brachten.
Een 10-tal maanden na het beëindigen van die 18 daagse veldtocht leek het alsof er een periode van rust was gekomen waarin de toestand zich zou normaliseren, wat voor ons belangrijk was, dat wij terug zouden kunnen voetballen. Jammer genoeg was dit alles maar schijn en waren wij veel verder dan ooit verwijderd van het ogenblik waarop wij weer in alle rust onze match zouden kunnen spelen. Na enkele tijd stelden de bezetters vast dat, niettegenstaande al hun mooie voorwaarden en beloften, er zich niet genoeg vrijwilligers kwamen aanmelden voor werk in Duitsland. Om daaraan te verhelpen begonnen ze jacht te maken op onze jonge mannen die, nadat ze waren opgepakt, onder dwang naar Duitsland werden gevoerd. Toen ook dit niet genoeg arbeidskrachten opleverde werden de acties uitgebreid tot jongeren van 17 en 18 jaar. Daardoor en mede door het feit dat vele jongeren zich niet meer op straat durfden vertonen en ondergedoken waren was het gedaan met voetbalmatchen te spelen en geraakten de meeste clubjes in de vergeethoek. Zo ook verging het ons en wij verdwenen van de voetbalvelden en werden opgenomen in de reeks legende en herinnering.
Van de meeste onder ons werd nooit meer iets gehoord en bleef de herinnering. Voor ons zou het nog duren tot 1947 eer er terug sprake was van wat was geweest en wel omdat een energieke Georges Cauwels het initiatief nam en enkele vroegere bestuursleden en spelers kon overhalen om opnieuw te starten met de voetbalclub.
K.F.C. BRUGSE LEEUWKENS was officieel geboren.
Wat daarna met de club is gebeurd zal U allen zeker bekend zijn en dat er nog “Leeuwen” zijn hebben velen al ondervonden.

Graag zou ik om te besluiten even terug willen denken en postuum hulde willen brengen aan die jonge kameraden van toen die het niet gehaald hebben. Zij dien in welke omstandigheden dan ook overleden zijn en aldus het genoegen niet mogen maken te zien hoe hun geliefde K.F.C. Brugse Leeuwkens uitgegroeid is tot één der grootste liefhebbers voetbalclub van Brugge en omgeving.

Met mijn groet, mijn dank aan:
Aspeslagh Louis, Alloo Antoine, Balbaert Antoine, Buisinne Robert, Cauwels Henri, Deblaere Etienne, Decock Julien, Degraeve Marcel, Janssens Hector, Reubens Willy, Vanhoutter Daniel, Verleye Willy.
Indien het waar is dat er een hemel voor amateurvoetballers bestaat, ben ik er van overtuigd dat zij zich daar bevinden!
Henri J. Janssens